Twee werelden verenigd

Nieuwsbericht |
TKI Biobased Economy
Topsector Energie in gesprek
|
Gosselink

Topsector Energie in gesprek met Richard Gosselink. Hij is senior onderzoeker en expertiseleider bij Wageningen Food & Biobased Research (WFBR). Hij is verantwoordelijk voor het opzetten van nieuwe projecten op het gebied van biomassa, en dan met name voor gebruik als grondstof voor materialen, chemicaliën en energie.

Richard Gosselink focust zich vooral op het gebruik van lignine. Wageningen University and Research (WUR) is betrokken bij tientallen projecten binnen Topsector Energie (vooral Biobased Economy, BBE+) met meer onderwerpen, en uiteraard ook in andere landbouw-gerelateerde Topsectoren zoals Agri & Food.

Lignine als grondstof

Lignine is het weerbarstige bindmiddel tussen de cellulosevezels dat houtige biomassa en stengels stevigheid geeft. Anders dan cellulose, dat geschikt is als grondstof voor papier en ook nog redelijk makkelijk kan worden omgezet in suikers, is lignine lastig te ontrafelen. Jaarlijks houdt de papierindustrie wel 100 miljoen ton lignine over. “De base case is dat lignine gebruikt wordt voor het eigen energiegebruik. Maar de waarde van die moleculen is veel groter,” zegt Richard Gosselink. “Bijvoorbeeld als duurzame grondstof voor chemicaliën, als additief in transportbrandstoffen in scheep- en luchtvaart of als bindmiddel in Trespa bouwplaten en in asfalt. In die laatste toepassingen leg je de koolstof ook voor soms wel tientallen jaren vast en komt de CO2 dus niet in de atmosfeer.”

Die gedachte is precies de kern van hoe de overheid anno 2020 tegen biomassa aankijkt: prioriteit aan het nuttige gebruik als grondstof voor materialen, en pas later voor energieopwekking. WFBR zat al op die koers: “Rond 2012 stelden we onszelf de vraag: Kunnen we de eigenschappen van lignine, zoals de functie als bindmiddel en voor UV-stabilisatie, toepassen in materialen?” brengt Gosselink in herinnering. “Dat begon met experimenten in het lab: kijken of lignine zich leent als bindmiddel in asfalt, dus als alternatief voor fossiele bitumen. In de hele keten scheelt lignine-asfalt toch ongeveer 20% CO2-uitstoot. Wij denken dat we op termijn 25% van de reststroom in de papierindustrie nuttig kunnen toepassen.”

Lange weg

Daarmee begon Gosselink aan een lange weg, in samenwerking met andere kennisinstellingen zoals TNO en met de asfaltsector. “Wij hebben die consortia vooral zelf opgezet, vanuit ons eigen netwerk.” Daarvan maakte de asfaltsector—niet bekend als de meest innoverende industriële sector in Nederland—nog geen deel uit. “Maar hun eindklanten, de grote wegbeheerders zoals Rijkswaterstaat of gemeenten, hebben ook een belang bij het toepassen van duurzame grondstoffen. Dus die willen graag.”

En dus gingen ook asfaltcentrales en wegenbouwers meebewegen. “De gedachte om lignine in asfalt toe te passen is best een goed voorbeeld van ‘technology push’. Voor ons was het heel belangrijk dat we aan het begin al goede contacten hadden met Economische Zaken en de provincie Zeeland. Ook bleek een kleinere aannemer annex asfaltcentrale, H4A, veel te zien in deze vergroening. De directeur was daar persoonlijk bij betrokken, en kreeg vertrouwen omdat we een eerlijk verhaal hadden. Daar zijn veel gesprekken voor nodig geweest, heel persoonlijk. Zo’n partner heb je nodig om de stap richting de markt te kunnen zetten.”

Twee werelden

Het Asfalt Kenniscentrum sloot als partner aan, en de bal rolde verder. “Wij hebben zelf op die manier ook veel geleerd. We moesten namelijk twee werelden verenigen. De pulp- en papierindustrie was al goed bekend in Wageningen, maar dat geldt niet voor de infrastructuur-sector. De grote bitumenproducenten en de wegenbouwers waren ook heel sceptisch. Die hebben natuurlijk ook veel innovatie zitten in hun huidige manier van werken.” De drempels waren hoog, maar overbrugbaar.  “Ik heb zelf ook in de asfaltcentrale gestaan, voor het gevoel van het produceren van asfalt voor die sector. Om een eenvoudig voorbeeld te noemen: bitumen is vloeibaar als het warm wordt, maar lignine is een poeder. Hoe breng je dat in het proces? Dat was een belangrijke hobbel die we echt gezamenlijk moesten oplossen.”

“Ik heb zelf ook in de asfaltcentrale gestaan, voor het gevoel. Zo is bitumen vloeibaar als het warm wordt, maar lignine is een poeder. Hoe breng je dat in het proces?”

“De Topsector was belangrijk als gesprekspartner, voor de feedback over projecten en de context, het grotere plaatje, waarin ook Rijkswaterstaat en de gemeenten passen. En natuurlijk voor de financiering. Zeker in de beginfase was dat nodig, want bedrijven zien dan dat de markt nog ver weg is. Later investeerden de bedrijven zelf ook, omdat ze ervan overtuigd raakten dat lignine in asfalt een goede business kan worden.”

Hobbels

Er ligt nu ongeveer vier kilometer weg met 50% lignine als vervanger van bitumen. “Lignine zal op grote schaal voor dit soort toepassingen ingezet worden,” is de overtuiging van Gosselink. Maar er zijn nog wat hindernissen: “Nieuwe producten als dit kosten sowieso meer dan tien jaar voordat ze op de markt komen. Het is bijvoorbeeld nodig om te certificeren volgens regelgeving, alle data moeten in de databanken zijn ingevoerd. Daar zouden de Topsector en RVO in kunnen helpen.”

“Nieuwe producten kosten meer dan tien jaar voordat ze op de markt komen: certificeren volgens regelgeving, alle data moeten in de databanken zijn ingevoerd. Daar zouden de Topsector en RVO in kunnen helpen”

En er zijn ook nog wel horden te nemen qua intellectueel eigendom (IP). “Dat moeten we telkens weer goed regelen. Maar we beschermen graag onze kennis ook zelf, om twee redenen: We willen garanderen dat de kennis goed wordt toegepast. En we willen er zelf ook wel aan verdienen, om weer in nieuw onderzoek te kunnen investeren. Kennis delen kunnen we in Wageningen best goed, het IP delen we in dit geval met het Asfalt Kennis Centrum. Maar we willen niet dat andere partijen er zomaar mee weglopen. Ik zie als onderzoeker graag toepassingen terug in de markt, ook in andere gebieden met lignocellulose en biobased producten. Maar dan moet het wel goed gebeuren en bijdragen aan een circulaire bio-economie.”

Het volgende interview verschijnt op 10 juni met Bert van de Beld, Director Technology BTG, partner in BBE+ en MVI.