Topsector geeft hoger beroepsonderwijs een boost

Nieuwsbericht |
Topsector Energie in gesprek
Human Capital Agenda
|

Topsector Energie in gesprek met Tinus Hammink en Jan Oosting. Tinus Hammink is directeur van het Sustainable Electrical Energy Centre of Expertise (SEECE) vanuit de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Jan Oosting is daar programmamanager en is verantwoordelijk voor de human capital agenda, waaronder de ontwikkeling van hbo-leerroutes voor nieuwe studenten in samenwerking met partnerbedrijven. De HAN, en dan met name SEECE, heeft veel deelgenomen aan ontwikkelingen binnen de Human Capital Agenda onder de Topsector Energie, zoals het netwerk De Uitdaging, het programma Werken en Leren met Energie en Groen uit de crisis. 

“Als je studenten opleidt voor de toekomst, moet je anders werken dan we altijd deden,” zegt Tinus Hammink, directeur van één van de pakweg twintig Centres of Expertise in Nederland die in 2013 zijn gestart. “Klassiek wordt het aantal hbo-studenten voor een opleiding bepaald vanuit de interesse onder scholieren. Dan kon het gebeuren dat je ineens veel studenten opleidde in forensische technologie. De Topsector Energie heeft ons geleerd te kijken naar de vraag: Wat heeft de maatschappij zo meteen nodig?”

Kort antwoord: Dat zijn vele duizenden (energie)technici. Alle relevante studies over werkgelegenheid en de energietransitie in Nederland waarschuwen voor een tekort aan mensen die de duurzame ontwikkelingen kunnen realiseren. Dan gaat het om nieuwe vaardigheden zoals het aanleggen van een warmtepomp in een woning, in plaats van de klassieke cv-ketel, en al die andere honderden ontwikkelingen in de elektriciteitsvoorziening, mobiliteit, woningen en gebouwen en industrie.

Gelukkig is er ook een ‘verborgen’ aanbod van vele duizenden mensen. Maar die moeten dan nog wel worden gevonden en opgeleid. “Dat vraagt om innovatie in het onderwijs,” zegt Jan Oosting. “Normaal ontwikkelden we een curriculum in pakweg vier jaar. Voordat je dan de eerste studenten aflevert ben je acht jaar verder. Dat kunnen we ons niet veroorloven.” Tinus Hammink: “Studenten leren niet meer één vak, zoals elektrotechniek. De energietransitie is veel complexer, dus we leiden ook meer multidisciplinair op. Belangrijk is dan ook dat we werken vanuit de driehoek onderwijs-onderzoek-ondernemingen. In de propedeuse viel vroeger soms de helft al af. We zetten de studenten nu niet meer eerst alleen met hun neus in de boeken, maar ze gaan ook meteen de échte projecten in, bij bedrijven en met onderzoek. Daarin kunnen ze dan hun eigen leerroutes kiezen.”

Nieuwe doelgroepen

Oosting: “Eén van de grote winstpunten daarvan is dat we daarmee naast de standaard havist ook andere doelgroepen aanboren. Met de ontwikkeling van kortere programma’s van twee jaar – de zogenaamde associate degree-programma’s – in combinatie met een betaald traineeship hebben we veel meer zij-instromers naar de techniek kunnen leiden, zoals werkenden met een niet afgemaakte of niet passende opleiding. Zij hebben dan wel een (voor)opleiding die geschikt is voor voor een energieopleiding, maar hebben dat door omstandigheden nooit gedaan. Dus ook de ober die nu zonder werk zit en zich wil omscholen. Sinds we ook Engelstalig opleiden, krijgen we een kwart meer energiestudenten binnen. Meer dan de helft van onze studenten zijn zij-instromers, waaronder statushouders. Die starten bij een bedrijf, verdienen geld en krijgen de ruimte om hun opleiding te volgen. En als ze na twee jaar hun associate degree hebben, kunnen ze door voor een bacheloropleiding.”

De Topsector Energie heeft deze omslag in het hoger beroepsonderwijs een echte boost gegeven, zeggen beide onderwijsleiders. Dat heeft bij de HAN geleid tot een kwart meer instroom van studenten die klaargestoomd worden voor de Energietransitie. Hammink: “De Topsector was cruciaal met het Human Capital Agenda programma en met subsidies, maar ook op een andere manier. De Topsector is ook de autoriteit die de innovatie-agenda voor de energietransitie vanaf 2012 heeft geformuleerd met uitspraken zoals: “Inderdaad, we gaan van het aardgas af; Inderdaad, het duurzame stroomverbruik gaat groeien”. Zo’n agenda is nodig om de onderwijsinstellingen, de docenten en ook de studenten het vertrouwen te geven dat ze opleiden voor de energiewereld van morgen.”

Samenwerken

Oosting: “Onderwijs is van nature conservatief. Dat was ook goed want je wilt niet met iedere hype meelopen. Nu verandert dat. Projectonderwijs is niet nieuw, maar wel de verbinding met zo’n maatschappelijk relevant vraagstuk. We zien dat studenten dat ook leuk vinden, werken aan zo’n thema. Dat de Energietransitie zo belangrijk is, is vooral de laatste vier jaar goed geland bij de docenten, het management en de Colleges van Bestuur. De hogescholen zien ook veel beter dan ooit dat ze niet elkaars concurrenten zijn, maar dat je veel verder komt met samenwerking en specialiseren.”

Volgens Hammink en Oosting beseffen ook bedrijven dat zij een belangrijke rol spelen in het voorkomen van een dreigend tekort aan menskracht. ‘Samenwerken’ is dus, zoals ook in de andere kennisnetwerken van de Topsector Energie, binnen de Human Capital Agenda een gevleugeld woord. Hammink: “De meerwaarde van onze opleidingen voor de energietransitie zit ook echt in samenwerking met partnerbedrijven. Niet elkaar verwijten maken, maar onderling vertrouwen. Dat kost investeringen in tijd en dus geld, en dat kon betaald worden uit de OCW-bijdragen aan de Centres of Expertise.  En die investeringen lonen.”

Learning Community

Jan Oosting noemt ‘learning communities’ als voorbeeld van zulke innige samenwerkingen. Professionals bij bedrijven, docenten en studenten dragen elkaar vragen en oplossingen aan. “We hebben zulke community’s  rondom waterstof, wijkgerichte energietransitie, netbeheer en infrastructuur, urban energy of systeemintegratie.”
De koerswijziging in het hoger beroepsonderwijs gebeurt met vallen en opstaan, en is ook nog lang niet klaar. Oosting: “De energietransitie is enorm complex en vraagt structurele samenwerking. Zo maakten in een gezamenlijk project met een netbeheerder in het eerste jaar allebei fouten.  Maar zolang je samen in vertrouwen blijft leren van je ervaringen, kom je verder. Ik zie ook nog best wat barrières, bijvoorbeeld in de noodzaak voor verdere flexibilisering van het onderwijs voor mensen die zich willen omscholen, in het bepalen van de leerroutes door studenten, in de steeds nauwere samenwerking met bedrijven. Maar het lerend vermogen van hbo-instellingen is veel groter geworden, mede door de Centres of Expertise en de samenwerking met de Topsector.”

Het volgende interview verschijnt op 8 juli met Judith van Heeswijk is bij brancheorganisatie Techniek Nederland (6.300 aangesloten grote en mkb-bedrijven) belast met ontwikkeling, scholing, onderwijs en arbeidsmarkt.