Opbrengst Topsector Energie kan nóg groter

Nieuwsbericht |
Maatschappelijk verantwoord innoveren energie
|
Ed de Jong

Topsector Energie in gesprek met Ed de Jong. Hij is vice-president Ontwikkeling van Avantium, een kennisbedrijf met zo’n tweehonderd personeelsleden dat innovatieve technologieën, diensten en producten levert in de keten van toeleveranciers en producenten in de chemische industrie. Alle technologieën, diensten en producten draaien om duurzaamheid, meestal met hernieuwbare biogrondstoffen als startmateriaal. Avantium is partner (geweest) in een tiental Topsector-projecten, vooral in het veld van de biobased economy.

Het is volgens Ed de Jong duidelijk dat de Topsector Energie heeft bijgedragen aan het versnellen van innovatie in het toepassen van biogrondstoffen in de chemische industrie. “Vooral in ketens van bedrijven is die bijdrage relevant. Er is veel kennis opgebouwd. Al moet ik wel zeggen dat het Topconsortium Biobased Economy voor ons relevanter is geweest dan de Topsector Energie. Wij hebben ook niet zo veel met de andere Topconsortia onder de Topsector Energie, zoals wind op zee of zon-PV. Al zien we nu bij de voorgenomen bouw van onze eerste commerciële fabriek in Delfzijl wel het belang van de aanwezigheid van hernieuwbare elektriciteit en duurzame warmte.”

Dat heeft ook te maken met het verleggen van het eigen accent in de toepassing van biomassa: van de energiesector naar de chemie, als grondstof voor chemicaliën en materialen. “Bij de start van de Topsector Energie lag de nadruk sterk op biobrandstoffen, maar daar zijn de marges smal. Wij concentreren ons nu in de eerste plaats op de polyester PEF, de hernieuwbare en technisch superieure (barrière-eigenschappen, sterkte) variant van het bekende PET. Zo’n product past minder in de ‘verzuiling’ van de Topsectorstructuur: die is ingedeeld naar de economie van nu, en niet per se naar die van de toekomst. Dat is een probleem, want de biobased economy is multi-actor: het is landbouw, chemie en energie. Op de ‘cross-over’-gebieden komen vaak de goede ideeën, daar vindt vaak de innovatie plaats. Maar de financieringsstructuur was juist sterk energie-georiënteerd.”

“Op de ‘cross-over’-gebieden vindt vaak de innovatie plaats. Maar de financieringsstructuur was juist sterk energie-georiënteerd”

PEF-flessen

Inmiddels is niet energie, maar lage CO2-uitstoot de belangrijkste driver in innovatiebeleid. De Jong: “Daarin past de ontwikkeling van PEF juist heel goed. Door de betere eigenschappen kunnen PEF-verpakkingen lichter zijn dan die gemaakt worden met PET. De inhoud van een PEF-fles blijft langer houdbaar, PEF is zowel volledig recycleerbaar naar rPEF maar kan ook tezamen met PET gerecycled worden. En de grondstoffen zijn hernieuwbaar. Dat heeft veel betekenis, want PET is na de olefinen de derde grootste grondstof in de chemie. We bouwen nu een PEF-fabriek in Delfzijl. Maar PEF zit nog ergens onderaan de S-curve. We willen nu vooral bewijzen dat het werkt en marktpartijen de kans geven hun producten met PEF in de markt te introduceren. Bij een eerste fabriek is de efficiency van de fabricage nog veel minder een issue. Maar PEF moet concurreren met de PET-fles uit fossiele grondstoffen, die al bovenin de S-curve zit. Bovendien: van fossiele grondstoffen worden lang niet alle kosten meegerekend. Initieel kan PEF dus niet zonder overheidsstimulans.”

Subsidies zoals SDE++ of HER, en financieringsmechanismes zoals met Invest-NL helpen daarbij nog onvoldoende. “In de DEI-regeling worden veelbelovende innovaties gedemonstreerd, maar er is te weinig aansluiting met de andere regelingen die de technologie verder naar de markt moeten brengen. Het probleem bij biogrondstoffen zit namelijk vooral in de kosten, niet in de technologie. Biomassa is relatief duur, zeker voor energietoepassingen. Er zit relatief veel zuurstof in die er zeker voor energietoepassingen uit moet. Voor kerosine bijvoorbeeld is het belangrijk dat je zo min mogelijk gewicht en zo groot mogelijke verbrandingswaarde mee de lucht inneemt. In de chemie kan je de aanwezigheid van zuurstof juist weer wel gebruiken, bijvoorbeeld voor de productie van melkzuur maar ook voor mono-ethyleenglycol.”

Wetenschappelijk stempel

De Jong geeft toe: “Die aansluiting met de markt ligt niet op het bord van de Topsector, maar vooral bij de politiek.” Maar als die innovaties moeten gaan werken voor de Nederlandse economie of voor de Energietransitie, kan er ook binnen de Topsector meer gebeuren, vindt hij. “Binnen de Topsector drukt een zwaar wetenschappelijke stempel op de beoordeling van projecten. Misschien is het soms wel iets té innovatief en ontwikkelen we te veel projecten die te ver van de markt afstaan. Dat hangt ook samen met de vraag: wat houdt de Energietransitie eigenlijk in? Hoe ziet Nederland er in 2050 uit? EZK en RVO onderschatten die vraag, we bekijken dat ook vanuit de Topsector te ééndimensionaal. Dan kom je er niet als je een terugverdientijd van vijf jaar hanteert, want als je de eerste bent met de toepassing is die tijd een stuk langer. Inderdaad, dan heb je het ook over industriepolitiek.”

Verspreiding

Het accent in de Topsector mag wel meer liggen op de verspreiding en toepassing van de innovatie, vindt De Jong. “Kennisinstellingen hebben het management van innovatieprojecten goed in de vingers, bedrijven veel minder. Die hebben het al moeilijk om de resultaten intern verder te brengen, laat staan daarbuiten. We willen nu die overhead beperken, maar we zouden meer geld moeten steken in professionaliseren van dat management, het delen van kennis, de verslaglegging, de disseminatie. Zet de creatieve mensen op dit vlak naast de onderzoekers, dan wordt één plus één drie. Bijvoorbeeld: wie weet nou wat een ‘MMIP’ is (een meerjarig missiegedreven innovatieprogramma, red)? Dat kan een stuk beter.”

“Wij bedrijven zouden meer geld moeten steken in professionaliseren van het innovatiemanagement, het delen van kennis, de verslaglegging, de disseminatie”

Uiteraard is de business case van Avantium zelf gebaat bij stimulering van innovaties richting de markt. Het bedrijf leeft voor een groot deel van het intellectuele eigendom van de innovaties die het zelf mede ontwikkelt. Maar De Jong beziet de innovatie en de energietransitie ook vanuit een breder perspectief voor Nederland, onder andere als bestuurslid bij de Topsector BBE. “Het is een tekortkoming in Nederland dat de financiering van een eerste commercialisatie van baanbrekende technologie in Nederland zo moeizaam gaat. In de omliggende landen is dat vaal beter geregeld en hierdoor missen we als BV Nederland zeker kansen Ik mis soms wel de holistische visie. Ik zou wat minder juristen willen zien bij de ministeries en bij RVO, en meer technologische kennis gedreven mensen met wat meer durf. We schermen te snel met de concurrentieregels bijvoorbeeld die voor staatssteun vanuit Brussel. Daardoor blijft de opbrengst van de Topsector te beperkt, want het houdt op bij de pilots. Liever wat meer staatssteun, tot op de lijntjes kleuren. Maar uiteindelijk ligt het meeste risico bij toepassen van een innovatie bij de bedrijven en hun aandeelhouders.”

Het volgende interview verschijnt op 21 juni met Pallas Agterberg, Directeur Corporate Strategie Alliander, partner in MVI.