“Ons werk moet toepasbaar zijn. Kapiteins lezen geen rapporten”

Nieuwsbericht |
Topsector Energie in gesprek
TKI Wind op Zee
|
de ridder

Topsector Energie in gesprek met Erik-Jan de Ridder. Hij is teamleider bij MARIN Duurzame energie, partner in het kennisnetwerk Wind-op-Zee. MARIN (Maritiem Research Instituut Nederland) is al een eeuw hét onderzoeksinstituut voor ‘alles wat drijft’.

In al die jaren verlegde MARIN de focus van scheepvaart naar offshore olie en gas en –in de laatste tien jaar— ook duurzame offshore energie (getijden, windenergie, zonne-energie). MARIN zat in twintig Wind op Zee-projecten, en daarnaast nog in enkele projecten voor zon-pv of waterstof.

Geen IP

Al vér voor het ontstaan van de Topsector Energie werkte MARIN al aan het smeden van samenwerkingsverbanden met de industrie. Dat was het instituut gewend in offshore olie en gas en later ook in offshore wind. Erik-Jan de Ridder: “Wij zijn ooit opgericht door reders, dus MARIN zit van oudsher al dicht op de bedrijven. Wij krijgen ook relatief wat minder basisfinanciering van de overheid dan andere instituten. We moeten het dus ook financieel van de bedrijven hebben, en bedrijven zijn ook gewend om met hun vragen bij ons langs te komen.”

“We zijn geen concurrent voor bedrijven, zij kunnen vrij van onze kennis gebruikmaken. Die kennis zit vaak in de ontwikkelingsfase; dichter op de toepassing zijn wij niet meer in de lead”

MARIN doet —anders dan bijvoorbeeld TNO of enkele universiteiten— ook niet aan patenten of octrooien. De Ridder: “Dus we zijn geen concurrent voor die bedrijven. Alle bedrijven kunnen vrij van onze kennis gebruikmaken. Die kennis zit vaak in de ontwikkelingsfase, zeg TRL-niveaus 4 tot 6, dus voordat toepassing in beeld komt. Bij de hogere TRL-niveaus zijn wij niet meer in de lead. Bijvoorbeeld: Boskalis of Van Oord ontwikkelt uiteindelijk zelf dat nieuwe installatieschip. Of dat uiteindelijk leidt tot snellere innovaties? Dat kan ik niet bewijzen. Maar het neemt wel een belangrijke hindernis weg.”

Joint Industry Projects

Sinds ongeveer 2010 doet MARIN onderzoek aan offshore wind, met name in de eigen specialiteit: de invloed van de golven. De Topsector Energie bestond nog niet. “Met industrie en kennispartijen zoals DNV/GL (toen nog apart) en TNO (toen nog ECN) hebben we sindsdien behoorlijk wat Joint Industry Projects getrokken, gefinancierd door de bedrijven. Dankzij het oprichten van de Topsector konden we het budget van de JIP’s aanzienlijk vergroten.”

Opvallend is dat MARIN projecten trekt waarin soms directe concurrenten bij elkaar zitten. “Er zijn gemeenschappelijke problemen. Weliswaar zijn de omstandigheden steeds behoorlijk specifiek voor een project, maar met een standaard-aanpak daaronder kan iedereen goedkoper bouwen en ook sneller operationeel worden. Best relevant, in een markt waar een installatieschip elke dag 100.000 tot 300.000 euro kost. Wij zijn dan de bindende factor en de topsector faciliteert dat. Dat komt uiteindelijk ten goede aan de BV Nederland.”

Duizenden tonnen

Om een schip van duizenden tonnen goed op zijn plek te houden is een flinke technologische uitdaging. “Dan moet je goed snappen wat je doet, hoe je mensen overzet of dingen monteert. Daar hebben we vanuit de olie- en gasindustrie veel ervaring mee, en we zoeken dan de link met hoe het in de offshore wind gaat. En ten slotte zorgen we ook dat die kennis van ons werkbaar is. Kapiteins lezen geen rapporten, maar wel een handboek van twintig pagina’s.”

Nederland huisvest zelf geen grote turbinebouwers. Maar op alle andere offshore onderdelen hebben Nederlandse bedrijven een goede internationale positie. Daarvan getuigen projecten in bijvoorbeeld Azië en de VS met Nederlandse partijen. De Ridder dicht dat voor een groot deel toe aan de Topsector, TKI Wind op Zee. “De TKI is een bindmiddel en matchmaker, en behartigt ook een soort publiek belang. De afspraken tussen de sector en de overheid voor verdere kostenverlaging van wind op zee waren een belangrijke drijfveer. Die zorgden tegelijk voor structurele financiële ondersteuning via TKI en RVO. Daarvoor hebben we de doelstellingen in die afspraken ver kunnen overtreffen. Wij zijn als MARIN maar een klein deel van de puzzel. We leren inhoudelijk van partners, en partners van ons. Wij brengen kennis in over drijvende objecten, TNO (ECN) de kennis van de turbines, et cetera. Zo wordt één plus één meer dan twee.”

Kleine stappen

De kostendaling zette zo ver door dat de winnende consortia in de recentste aanbestedingen geen directe subsidie op de geleverde kilowatturen meer nodig hadden. “Dat komt door de lage staalprijs, de lage rentestand en de gemeenschappelijke voorzieningen die de overheid al voor de concessies had getroffen. Maar ook door de innovaties.

Tien jaar innovatie van wind offshore kent vele successen. “Dat waren geen echte doorbraken, maar vooral kleine stappen”

Tien jaar innovatie van wind offshore kent vele successen, vooral in de bouw en het onderhoud van de parken. “Dat waren geen echte doorbraken, maar vooral kleine stappen. Bijvoorbeeld: eerst hebben we in de constructie het transitiestuk weggelaten, want de grouting (het cement in de verbinding, red) verbrokkelde. Vervolgens konden we de monopaal direct in de zeebodem heien, we werken nu aan verder verminderen van het lawaai. Nu wordt ook getest hoe de boutverbinding kan worden vervangen door de slip joint—waarbij de turbine op de monopaal wordt geschoven. Dat gebeurt nu nog in ondiep water, maar we gaan dieper, en we gaan ook kijken naar drijvende windturbines. Daarin hebben we een unieke positie, met veel kennis. Onderzoeksprojecten worden vaak gefinancierd door de EU of verder weg, zoals de VS. Het zou goed zijn als deze ontwikkeling ook gefinancierd kan worden binnen Nederland.”

Het volgende interview verschijnt op 5 augustus met Stefan Lettink, marktdirecteur offshore wind IHC, partner in Wind op Zee.