Geologen hebben hun perspectief op de ondergrond verlegd

Nieuwsbericht |
Topsector Energie in gesprek
TKI Nieuw Gas
|
Chris Spiers

Topsector Energie in gesprek met Chris Spiers, hoogleraar Universiteit Utrecht, partner in de programmalijn Geo-Energie.

Chris Spiers is sinds maart 2020 emeritus-hoogleraar aan de Faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. Hij was betrokken bij vrijwel alle projecten in de ondergrond waarbij zijn departement Aardwetenschappen in acht jaar Topsector Energie partner was. Die besloegen een breed spectrum: van typische aardgasprojecten tot en met geothermie.

Tijdgeest

Voor energie-innovaties in de Nederlandse ondergrond is de wereld overzichtelijk: Universiteit Utrecht, TU Delft, TNO, Shell, NAM en Wintershall, EBN, een bedrijf als Nouryon (v/h AkzoNobel) en een groter aantal kleinere bedrijven. Die hele gemeenschap heeft zich de laatste jaren, net als het betrokken TKI Nieuw Gas, in de loop der jaren steeds aangepast aan de tijdgeest. Chris Spiers: “In het begin van de TKI was het vooral aardgasexploratie/winning en ook CO2-opslag. Nu is de aandacht verschoven naar de energietransitie: bijvoorbeeld waterstof- en energieopslag in zoutcavernes of lege gasreservoirs, geothermie en het afsluiten van gasboorputten. En CO2-opslag komt nu weer in beeld, na een paar jaar te zijn weggeweest.”

Die beweging lijkt vrij autonoom, bij zowel de Topsector als in de sector zelf, natuurlijk wel onder invloed van het overheidsbeleid. “Met die voorkeuren komen bij ons ook de studenten en de promovendi binnen. Die willen werken aan duurzaamheid, en de universiteiten willen dat profiel ook. Wel hebben de aardbevingen in Groningen een flinke boost gegeven aan het anders toepassen van onze kennis, namelijk op de effecten van mijnbouw in het algemeen. Veiligheid is nu een belangrijk onderwerp, vanaf geïnduceerde aardbevingen tot en met afsluiting of lekkages, kortom: de stabiliteit en integriteit van ondergrondse systemen – ook op lange termijn. Daarin speelt de Topsector Energie een belangrijke rol, naast NWO (DeepNL) en EZK (KEM).”

Slagkracht

Maar gemeten naar het belang voor de innovatie op deze vlakken moeten de netwerken en de financiering van de Topsector het toch afleggen tegen de eigen samenwerkingsverbanden van de universiteiten zoals UU met bedrijven als Shell, NAM, EBN en Nouryon. De financiële slagkracht van die partners is nu eenmaal een stuk groter. Spiers: “Als de grote spelers behoefte hebben aan nieuwe kennis, investeren zij zelf. De kleinere bedrijven doen mee in Topsector-projecten in de hoop dat zij nieuwe kennis opdoen, want zij kunnen dat zelf niet onderzoeken.”

Dat schept een dilemma voor de universiteit. “Daar zit wel een lastige spanning tussen. Naar wie ga je met een goed idee? Voor ons als universiteit is het handiger om dat idee uit te werken met een grote speler. Dat gaat veel sneller, de looptijd van de projecten is langer en we kunnen er een promovendus volledig mee financieren. Dat kan allemaal niet met Topsector-geld, want dat is te weinig, het duurt vaak te lang voordat het geld is toegekend en de duur van de projecten is te kort. Om één promovendus in een Top-Sector project te plaatsen moeten we putten uit additionele subsidiepotten zoals bij de EU. Daarin valt makkelijk een gat van een jaar, en dat is geen optie voor een promovendus.”

Delen van kennis

Kennis delen kost de kennisinstellingen in deze sector geen enkele moeite. De taken zijn dan ook netjes verdeeld: TNO zit op de toepassing en het modelleren, de TU Delft doet meer de engineeringskant, dat wil zeggen het modelleren en experimenteren op grote schaal, en de Universiteit Utrecht doet het meer fundamentele geologische of experimenteel onderzoek. Er komt soms een kink in de kabel zodra toepassing in zicht komt. “Wetenschappers zijn niet gericht op patenten, natuurlijk wel op publiceren. Maar bedrijven zitten soms wel op hun intellectueel eigendom (IP), dat kan tussen de industriële partners in TKI-projecten (Topconsortium voor Kennis en Innovatie, red) een probleem zijn. We hebben wel eens een project gehad waarin zo’n twee jaar is onderhandeld over IP en contractuele aspecten.”

“We hebben in deze sector te maken met ontwikkelingen die tot de toepassing vijftien jaar in beslag nemen”

Ook de korte tijdschaal van TKI-projecten roept vragen op. “We hebben in deze sector te maken met ontwikkelingen die tot de commerciële toepassing tien of vijftien jaar in beslag kunnen nemen. Dus TKI-geld is hier veel minder direct functioneel dan in een project in andere sectoren waar je op een vinding met werktuigbouwers snel resultaat kunt boeken. Ik zou dan ook niet direct kunnen zeggen wat de economische waarde is van de TKI-programma’s in deze sector.”

Geleerd

Veel geleerd heeft Spiers wel uit de TKI-samenwerkingsverbanden. “Ik was me bijvoorbeeld nooit zo bewust van de problemen die je tegenkomt als je gasputten wil afsluiten. Ook heb ik nu veel meer inzicht gekregen in de markt, en hoe kleinere gasbedrijven in de markt staan. Hun marges zijn klein, dus mijn vraag is dan ook: hoe gaan die bedrijven meebewegen met de energietransitie? Zij kunnen het zich niet veroorloven om een aardwarmteput te slaan die niet blijkt te leveren. In de nieuwe wereld kunnen zij het lastig krijgen.”

Naast deze lering, ziet Spiers ook meerwaarde in TKI-projecten als bron voor contacten met de industrie en als kiem voor grotere (vaak Europese) onderzoekstrajecten en nieuwe inzichten in fundamenteel onderzoek ten behoeve van de industrie. “De Topsector heeft vaak gefungeerd als voedingsbodem voor onderzoek met grotere waarde. In die zin heeft de Topsector dus goede ideeën opgeleverd, maar vaak niet zelf kunnen uitwerken.”

“De Topsector heeft vaak gefungeerd als voedingsbodem voor onderzoek met grotere waarde”

Realisme

Op grond van zijn opgedane kennis deelt Spiers niet het soms geventileerde optimisme over de beschikbaarheid van aardwarmte in Nederland. “Mijn inzicht als wetenschapper zegt me dat het potentieel in Nederland soms te hoog wordt ingeschat. Om ervoor te zorgen dat die kleine bedrijven, met die smalle marges, toch naar aardwarmte gaan boren zullen we toe moeten naar hogere subsidies. Bijvoorbeeld zoals bij wind-op-zee is gebeurd: de overheid moet de risico’s afdekken. We moeten er zeker de moed in houden en meer onderzoek doen. Maar de verwachtingen moeten wel realistisch zijn.”

Het volgende interview verschijnt op 3 mei met René Peters, Business Director Gas Technology TNO, netwerk Geo-Gas.