“Denk niet in doorbraken maar in kleine stapjes”

Nieuwsbericht |
TKI Biobased Economy
Topsector Energie in gesprek
|
Klein Teeselink

Topsector Energie in gesprek met Herman Klein Teeselink. Hij zit al tientallen jaren in de ontwikkeling van bio-energie installaties voor duurzame energie uit organische reststromen. Hij maakt ook deel uit van het kennisnetwerk Biobased Economy (BBE+).

Sinds 1991 doet hij dat met zijn bedrijf HoSt, met hoofdkantoor in Enschede, dat tussen 2010 en nu groeide van twintig naar 140 mensen. Biomassa staat centraal in zijn bedrijf: (industriële) verbranding, vergassing, vergisting, opwerken van biogas naar groen gas met aardgaskwaliteit. En wel volgens de strengste normen.

Kleine stapjes

Jazeker, TSE-projecten en subsidies hebben bijgedragen aan innovaties in zijn bedrijf. Klein Teeselink: “We hebben nieuwe concepten voor vuurhaarden kunnen ontwikkelen, met zeer lage emissies. Die zijn nu zo laag dat op twee plekken glastuinbouwers de rookgassen van onze bio- warmtekrachtinstallaties direct in hun kassen willen gebruiken komend jaar. Ook hebben we veel kunnen doen aan de aanpassing van installaties aan laagwaardige biomassa, zoals resten uit de landbouw of rioolslib. Dat moet de komende jaren gaan opleveren.”

“Als technologische stappen te groot zijn, komt het commercieel niet van de grond. Maar professoren denken toch graag in grote doorbraken.”

De meeste vernieuwing dankt Klein Teeselink aan de ‘kleine stapjes’. “Als technologische stappen te groot zijn, komt het commercieel niet van de grond. En voor die kleine stapjes is zelden subsidie onder de Topsectorstructuur. Niet sexy genoeg. Professoren denken toch graag in grote doorbraken. Daar lopen onze commerciële belangen niet gelijk met hoe de overheid aankijkt tegen de ontwikkeling.”

Vergassing

Over de gewenste doorbraken in het BBE+-programma denkt Klein Teeselink ook vaak anders. Neem de focus, sinds jaren, op vergassing van biomassa: die switch begrijpt hij niet. “Bij verbranding wek je veel efficiënter energie op. Onze HR-wkk draait met 100% rendement. Investeren in verbranding is voor ons ook veel minder risicovol, en veel rendabeler. De innovatieprojecten in vergassing hebben bij ons maar beperkt geleid tot concrete projecten of exportproducten.”

“Dat wil niet zeggen dat we niks aan de topsector hebben gehad. Uit een project met de Universiteit Twente hebben we bijvoorbeeld veel geleerd over het omlaag brengen van de uitstoot, om de rookgassen bruikbaar te maken voor kassen. Dat zouden we nu ook graag monitoren, typisch met TSE-geld, lijkt mij. En dankzij TSE-subsidie hebben we nu ook beter kennis van digestaatverwerking, zoals waterzuivering, over het terugwinnen van fosfaten en mineralen uit slib en het verwerken van laagwaardige biomassa. Ook het toevoeren van brandstof aan een installatie is verbeterd, mede dankzij TSE-subsidie.” En de ontwikkeling van membranen dan? “Dat zou je inderdaad een ontwikkeling voor de langere termijn kunnen noemen. Daarin werken we veel samen met vooral de UT. Al is die ontwikkeling vooral van belang voor onze toeleveranciers, en dat zijn grote jongens.”

Mkb

Klein Teeselink denkt dat de mismatch tussen zijn bedrijf en het topsectorprogramma veel te maken heeft met de beperkte grootte van zijn bedrijf. “Wij hebben al met al best wat subsidie gekregen voor projecten. Maar toch denk ik dat het rendement van die subsidies laag is. Dat komt omdat in deze sector veel mkb-bedrijven werken. Die kunnen het zich niet veroorloven om vijf jaar vooruit te kijken, naar die grote stappen, wat de Topsector wel doet. Maar ik geef ook wel toe dat we soms niet in staat waren om onze problemen op de juiste manier te verwoorden, zodat die in het Topsectorprogramma pasten.”

IP

Voor een bedrijf als HoSt is een korte ‘terugverdientijd’ van de innovatie dus belangrijk: het bedrijf wil graag die innovaties snel in zijn installaties toepassen. “Sommige projecten zijn dus te groot voor ons. Innovatie is voor ons een kwestie van voortdurende aandacht, en goed nadenken, hoe en waar we samenwerken met universiteiten of instituten zoals TNO/ECN.”

In die samenwerking speelt het intellectuele eigendom een centrale rol. “Kennis delen is voor ons niet gemakkelijk. Soms heb ik de indruk dat partijen meer van ons leren dan andersom. Al hebben we daar in Nederland niet zoveel last van, want onze concurrenten zitten in het buitenland. Maar we zijn ook wel eens uit een innovatietraject gestapt omdat de kennispartner ook met buitenlandse concurrentie samenwerkte. Kwestie van vertrouwen, natuurlijk, maar daar kwamen we in dat geval niet uit.”

“Ik pleit voor meer continuïteit, beter luisteren naar marktpartijen zoals wij en meer vragen neerleggen bij het mkb”

Risico’s spreiden

HoSt is werkzaam in liefst veertig landen en vier continenten. Daarmee spreidt het bedrijf de kansen en de risico’s. “Landen besteden veel geld aan innovatie, maar we kiezen een locatie nooit op basis van het innovatiebeleid. Het belangrijkst is de ontwikkeling van de markt. Daarin hebben we last van wisselende visies van de overheid, maar we maken er ook gebruik van. De eerste installatie hebben we in 2001 in Moldavië gebouwd, met hulp van de voorloper van RVO. Daarna vanaf 2004 eerst in Nederland, daarna in landen als België en Letland, nu in heel veel landen. Daardoor is het politieke risico sterk afgenomen.”

“Maar het is wel een slechte zaak dat we te vaak geen duidelijkheid hebben over de markt. Tenslotte ben je zo vier jaar verder: een vergunning aanvragen kost één à twee jaar, dan kost het krijgen van SDE veelal een jaar en dan het rondkrijgen van de investeringen ook een jaar. Bijvoorbeeld: Stimuleer groen gas nu eens voor tenminste zes jaar! Dan krijgen wij de ruimte om beter te werken aan onze technologie die biogas op aardgaskwaliteit (dus groen gas, red) moet brengen. Ik pleit voor meer continuïteit, beter luisteren naar marktpartijen zoals wij en meer vragen neerleggen bij het mkb.”

Het volgende interview verschijnt op 17 juni met Ed de Jong, Avantium, partner in BBE+.