“Afspraken van techneuten onder elkaar, informeel: dat helpt”

Nieuwsbericht |
Topsector Energie in gesprek
TKI Wind op Zee
|
.

Topsector Energie in gesprek met Leon van der Meijden. Hij staat sinds 2009 aan het roer bij de Eneco-afdeling engineering offshore wind. Vlak na de aanleg van windpark Amalia. Die afdeling zorgt voor de verbinding tussen de engineers bij specifieke projecten zoals Blauwwind en Crosswind (beide projecten met Shell) en was daarmee ook de partner in een tiental Topsector projecten, vooral in het kennisnetwerk Wind op Zee.

Er liggen heel wat innovaties aan de basis van de gunstige positie van offshore wind in Nederland anno 2020. Beleidsinnovatie bijvoorbeeld, door de aanbesteding van concessies zodanig vorm te geven dat de risico’s en algemene voorzieningen niet allemaal voor rekening komen van de aanbieder. En tal van puur technologische innovaties, groot en klein. Bijvoorbeeld gemakkelijker windturbines bouwen op hun fundering, eenvoudiger heimethodes, nieuwe kabelroutes in de monopaal, voorzieningen voor beter onderhoud, betere windmetingen, en nog een paar.

Het zijn precies die ontwikkelingen waar een projectontwikkelaar annex operator van een windpark op zit te wachten. Leon van der Meijden zit bij zo’n bedrijf, namelijk Eneco: “Wij staan aan het eind van de keten, maar merken dat iedereen in de keten dezelfde doelen heeft: windenergie op zee moet beter, schoner en stiller. Techneuten onder elkaar kunnen daarover heel goed kennis uitwisselen.”

 “Wij staan aan het eind van de keten, maar merken dat iedereen in de keten dezelfde doelen heeft: windenergie op zee moet beter, schoner en stiller”

Windmetingen

Voor Van der Meijden begon de samenwerking met een innovatiebudget dat beschikbaar werd gesteld in 2010, omdat er na de aanbesteding van het Gemini-windpark boven de Wadden nog wat financiering overschoot. “Wij waren bezig met Luchterduinen, en ons werd gevraagd een innovatief project in te dienen. Dat werd onder andere de LIDAR-boei, waarmee we windmetingen met deze lasermethode wilden certificeren en valideren.”

Eneco nam deel in vele andere innovatieprojecten. In sommige gevallen gebeurde dat zelfs met collega-energiebedrijven die directe concurrent zijn in de aanbesteding van windparken, zoals RWE en Shell. Van der Meijden: “We hebben ook wel vruchtbare informele meetings gehad. Natuurlijk bespraken we wel tevoren met de juridische afdeling wat we wel en niet konden zeggen. Bij zulke bijeenkomsten worden geen mariene aannemers uitgenodigd zodat niemand wordt bevoordeeld en ideeën vrij kunnen worden uitgewisseld. Zulke samenwerking binnen de Topsector heeft de hele sector enorm geholpen. Op het moment dat de ideeën verder in de richting van toepassing komen, moesten er natuurlijk afspraken komen over geheimhouding. Maar binnen die ruimte hebben we steeds uitstekend kunnen laveren.”

Ideeën

In een nog vrij jonge sector als offshore wind bleek grote behoefte te bestaan aan vrije uitwisseling van goede ideeën, ook al omdat nieuwe problemen opdoken. “Zo kregen de eerste pakweg vijftien offshore windparken last met het afbrokkelen van de ‘grouting’—het cement—tussen de monopaal in de grond en het transitiestuk naar de turbine erbovenop. Dat leidde uiteindelijk tot een innovatie waarmee we de monopaal direct op de flens in de grond kunnen heien, en uiteindelijk tot de slip joint, waarbij we turbine en monopaal op elkaar laten glijden. Maar dat moet natuurlijk wel kaarsrecht gebeuren! De ideeën daarvoor werden vaak samen besproken met concurrerende mariene aannemers en collega windpark-operators. En turbinebouwers keken van een afstand mee.”

Snel

Zonder de Topsector was de innovatie in deze sector ongetwijfeld minder snel verlopen, denkt Van der Meijden. Het groutingprobleem is een goed voorbeeld hoe de parkbeheerders een specifiek probleem voorlegde aan de onderzoekswereld, en samen met hen oplosten. “Maar andersom gebeurde ook. Partijen als de TU Delft, Deltares of TNO komen met interessante ideeën die raken aan wat wij ook al op ons vizier hebben. Bijvoorbeeld de vraag: is hergebruik van windturbinebladen levensvatbaar? Via zulke vragen en ideeën leren wij heel veel van kennisinstituten.”

Dat helpt dus de ‘total cost of energy’ voor windenergie in Nederland omlaag, tot het niveau waarop nu geen directe subsidies op offshore kilowatturen meer nodig zijn. “Met de innovaties hebben we onszelf overtroffen.” Maar het helpt ook de BV Nederland. Van der Meijden: “Dat zie je aan de mariene aannemers zoals Van Oord. Zij doen het goed in het Verre Oosten en de Verenigde Staten, ook dankzij het opbouwen van de kennis samen met de instituten.”

Volgende stappen

“We kennen elkaars telefoonnummers, weten wie welke expertise heeft. Dat gaat ons helpen als we voor nieuwe parken verder de zee opgaan”

Het eind is nog niet in zicht. Windparken zullen bijvoorbeeld verder uit de kust worden gebouwd. Van der Meijden denkt dat het netwerk klaar is voor de volgende stappen. “We kennen elkaars telefoonnummers, weten wie welke expertise heeft. Dat gaat ons helpen als we voor nieuwe parken verder de zee opgaan. Nu kunnen we nog gemakkelijk aansluiten aan het elektriciteitsnet. Maar de afstand wordt groter, omstandigheden anders, wateren dieper.”

Een extra stimulans voor innovatie gaat uit van de aanbesteding van offshore wind, die extra punten toekent aan innovatieve oplossingen. “Wat nu heel erg speelt is het medegebruik van de Noordzee. De vissers moeten er terecht kunnen, defensie, de olie- en gasindustrie, scheepvaart. Om die reden zijn we ook nadrukkelijk bezig met zaken als zeewierteelt, drijvende zonnepanelen en oesterteelt tussen de windturbines. De eis voor innovatieve oplossingen is een goede stok achter de deur. Volgens mij is de belangrijkste voorwaarde voor verdere groei en innovatie: het kunnen verkopen van de elektriciteit. De industrie moet bij voorbeeld verder elektrificeren, dan kunnen we zonder subsidie blijven bouwen.”

Het volgende interview verschijnt op 2 augustus met Erik-Jan de Ridder, teamleider MARIN Duurzame energie, partner in Wind-op-Zee.